ECLI:NL:CRVB:2015:4785
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering IVA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving vanaf april 2010 een WIA-uitkering en werd aanvankelijk voor 36,16% arbeidsongeschikt geacht. Na een herbeoordeling stelde het UWV vast dat zij per 26 november 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna een bezwaarprocedure volgde. Uiteindelijk werd haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 43,74%, wat leidde tot een WGA-vervolguitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het tweede besluit af, omdat de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige voldoende rekening hadden gehouden met de medische beperkingen van appellante. Appellante stelde in hoger beroep dat haar gezondheid te optimistisch was ingeschat en dat zij de voorgehouden functies niet kon vervullen.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige de beperkingen van appellante adequaat hadden beoordeeld en gemotiveerd. Er was geen sprake van het ontbreken van benutbare mogelijkheden volgens het Schattingsbesluit, en appellante kwam daardoor niet in aanmerking voor een IVA-uitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid werd terecht vastgesteld op 35 tot 45%, wat een verlies aan verdienvermogen van 43,74% weerspiegelt.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de IVA-uitkering bevestigd.