ECLI:NL:CRVB:2015:4805
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum toekenningen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers
Appellant, geboren in 1933 in het toenmalig Nederlands-Indië, diende in maart 2014 een aanvraag in voor toekenningen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Bij besluit van 9 juli 2014 werd hij erkend als burger-oorlogsslachtoffer en toegekend een toeslag ter verbetering van de levensomstandigheden, een vergoeding voor huishoudelijke hulp en een tegemoetkoming voor deelname aan het maatschappelijk verkeer, ingaande 1 maart 2014. Periodieke uitkering en vergoeding voor vervoer werden aanvankelijk niet toegekend.
Na bezwaar werd bij het bestreden besluit alsnog een vergoeding voor vervoer toegekend, maar de ingangsdatum bleef 1 maart 2014. Appellant stelde beroep in tegen deze ingangsdatum, stellende dat deze op een eerdere datum moest worden vastgesteld. De Raad overwoog dat verweerder terecht de hoofdregel van artikel 30, eerste lid, van de Wubo toepaste, namelijk dat de ingangsdatum de eerste dag van de maand van de aanvraag is. Er waren geen omstandigheden die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigden.
Verder werd op dezelfde dag een andere uitspraak gedaan waarin appellant met terugwerkende kracht per 1 juni 2012 recht kreeg op Wubo-toekenningen, maar dit deed niets af aan de correcte afhandeling van de aanvraag van maart 2014. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering om de ingangsdatum van de Wubo-toekenningen op een eerdere datum dan 1 maart 2014 vast te stellen, wordt ongegrond verklaard.