ECLI:NL:CRVB:2015:4846
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen korting AOW-pensioen wegens schuldige nalatigheid over 1998-2001
Appellant werd door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) schuldig nalatig verklaard voor het niet betalen van AOW-premies over de jaren 1998 tot en met 2001 en 2007, wat leidde tot een korting op zijn AOW-pensioen. De nalatigheid over 2007 werd ingetrokken, maar de korting over de jaren 1998-2001 bleef van kracht. Appellant maakte bezwaar tegen de korting, waarbij de rechtbank oordeelde dat de schuldige nalatigheid over 1998-2001 buiten het geding viel omdat het toekenningsbesluit uit 2014 uit meerdere besluitonderdelen zou bestaan.
De Centrale Raad van Beroep volgt dit oordeel niet en stelt dat het toekenningsbesluit een één en ondeelbaar besluit is, waardoor de schuldige nalatigheid over 1998-2001 wel binnen het geding valt. De Raad oordeelt dat appellant tegen de besluiten over 1998-2001 niet tijdig bezwaar heeft gemaakt, waardoor deze besluiten rechtens onaantastbaar zijn. De korting op het AOW-pensioen is volgens de Raad correct berekend en het beroep tegen het toekenningsbesluit wordt ongegrond verklaard.
Verder bevestigt de Raad het oordeel van de rechtbank dat het bezwaar tegen de besluiten over 1998-2001 niet-ontvankelijk is wegens termijnoverschrijding zonder verschoonbare reden. De Raad oordeelt dat de Svb de besluiten correct heeft verzonden en dat het niet afhalen van aangetekende stukken voor rekening en risico van appellant komt. De Raad veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de korting op het AOW-pensioen wegens schuldige nalatigheid over 1998-2001 wordt ongegrond verklaard.