ECLI:NL:CRVB:2015:4895
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J. Riphagen
- H.A.A.G. Vermeulen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en geschiktheid voor functies bij WIA-uitkering
Appellante is sinds 1 februari 2010 arbeidsongeschikt vanwege diverse medische aandoeningen, waaronder lymfocytaire hypofysitis en baarmoederklachten. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 62,22%. Appellante voerde aan dat haar psychische en fysieke klachten, waaronder concentratieproblemen, eczeem, vermoeidheid en frequente aandrang door een ernstige baarmoederverzakking, onvoldoende waren meegewogen.
De rechtbank had het beroep van appellante deels gegrond verklaard en het besluit van het UWV voor een deel vernietigd, maar de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in stand gelaten. In hoger beroep betoogde appellante dat zij niet in staat was om de geselecteerde functies te vervullen. De Raad heeft de medische rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep bestudeerd, die concludeerde dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat waren en dat er geen noodzaak was voor extra voorwaarden, zoals een toilet dichtbij de werkplek.
De Raad oordeelde dat appellante geschikt is om met inachtneming van gebruikelijke pauzes vier uur per dag te werken en dat de kans op urineverlies tijdens werkuren beperkt is. Ook is er geen reden om aan te nemen dat er geen adequaat incontinentiemateriaal beschikbaar is of dat de problematiek zodanig is dat een werkgever haar niet in dienst kan nemen. De Raad bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak wordt bevestigd.