ECLI:NL:CRVB:2015:4957
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV dat hij vanaf 12 juli 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard, waarbij zij oordeelde dat de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zorgvuldig en goed gemotiveerd waren.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn fysieke beperkingen, met name aan knie, rug, schouder en nek, zijn onderschat en dat de voorgehouden functies niet geschikt zijn vanwege de aard van de werkzaamheden en de opleidingseisen. De Centrale Raad van Beroep overweegt dat deze gronden een herhaling zijn van eerdere bezwaren en dat de rechtbank terecht tot haar oordeel is gekomen.
De Raad bevestigt dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 augustus 2013 juist is opgesteld, mede op basis van een orthopedisch chirurgisch bericht, en dat de arbeidsdeskundige de functies passend heeft geacht. Appellant heeft geen aanvullend medisch rapport overgelegd om twijfel aan de medische beoordeling te rechtvaardigen. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de WIA-uitkering wordt bevestigd.