ECLI:NL:CRVB:2015:4958
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is volgens WIA
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij met ingang van 1 augustus 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daardoor geen recht heeft op een WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch en arbeidskundig onderzoek voldoende was en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de verzekeringsarts onvoldoende rekening had gehouden met zijn KNO-problematiek en de gevolgen van atriumfibrilleren, mede omdat er geen eigen lichamelijk onderzoek was gedaan. Hij overhandigde een rapport van een KNO-arts waaruit bleek dat hij lijdt aan een lichte vorm van obstructief slaapapneusyndroom, wat leidt tot moeheid en energetische beperkingen.
De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze informatie had betrokken en gemotiveerd had dat de lichte vorm van OSAS geen aanleiding gaf tot aanvullende beperkingen. Ook was er voldoende rekening gehouden met de overige klachten. De arbeidsdeskundige had overtuigend gemotiveerd waarom de geduide functies geschikt waren voor appellant. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak dat appellant in staat is fulltime te werken met de beperkingen uit de FML en wees het hoger beroep af.
Omdat het hoger beroep niet slaagde, werd ook het verzoek tot schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is, wordt bevestigd.