ECLI:NL:CRVB:2015:4967

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 december 2015
Publicatiedatum
7 januari 2016
Zaaknummer
15/127 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, werkzaam als pedagogisch medewerker, meldde zich ziek met pijn- en vermoeidheidsklachten. Het UWV stelde na onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde haar daarom een WIA-uitkering toe te kennen. Appellante maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV en later bevestigd door de rechtbank.

In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen door fibromyalgie werden onderschat en dat zij de voorbeeldfuncties niet kon vervullen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsartsen voldoende en overtuigend hadden gemotiveerd welke beperkingen zij ondervond en dat er geen aanleiding was om meer beperkingen aan te nemen. De medische stukken van het Riagg gaven geen aanleiding tot herziening van de belastbaarheid.

De Raad bevestigde dat appellante in staat was om voltijds te werken binnen de beperkingen zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst. De arbeidskundige rapporten toonden aan dat de belastbaarheid niet werd overschreden door de voorbeeldfuncties. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

15/127 WIA
Datum uitspraak: 30 december 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
21 november 2014, 14/4509 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2015. Appellante is verschenen met H.W. van der Wal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante, die laatstelijk werkzaam was als pedagogisch medewerker bij een kinderdagverblijf, heeft zich op 9 februari 2012 ziek gemeld wegens pijn- en vermoeidheidsklachten.
1.2.
Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 9 januari 2014 vastgesteld dat voor appellante met ingang van 6 februari 2014 geen recht ontstaat op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
(Wet WIA), omdat zij met ingang van deze datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.3.
Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 23 juni 2014
(bestreden besluit) ongegrond verklaard, onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar beperkingen voor het verrichten van arbeid door de verzekeringsartsen van het Uwv zijn onderschat. Appellante stelt dat zij als gevolg van haar fibromyalgie verdergaand beperkt is dan in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is vastgesteld. Voorts betoogt appellante niet in staat te zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde voorbeeldfuncties te vervullen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
4.1.
Terecht heeft de rechtbank niet getwijfeld aan de juistheid van de door het Uwv bij appellante vastgestelde belastbaarheid. In de rapporten van de verzekeringsartsen is voldoende inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd welke beperkingen appellante ondervindt voor het verrichten van arbeid en waarom geen aanleiding bestaat om meer of verdergaande beperkingen voor haar aan te nemen. Volgens de verzekeringsarts is appellante in verband met haar klachten als gevolg van fibromyalgie aangewezen op fysiek niet zwaar en mentaal niet stresserend werk. Daarnaast dient bij het selecteren van de voorbeeldfuncties rekening te worden gehouden met de allergieën van appellante. Volgens de verzekeringsarts is er geen indicatie om een beperking van de arbeidstijd in de FML op te nemen. Indien in arbeid voldoende rekening wordt gehouden met de beperkingen van appellante, is zij in staat voltijds te werken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door de verzekeringsarts bij appellante vastgestelde belastbaarheid onderschreven. De in beroep overgelegde medische stukken afkomstig van het Riagg geven volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding om de FML te herzien. De inhoud van deze stukken, voor zover deze ziet op de datum in geding, was al bekend en is al meegewogen in de beoordeling. Met de rechtbank worden geen aanknopingspunten gezien voor twijfel aan de juistheid van deze deugdelijk onderbouwde conclusie. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel dan dat van de rechtbank te komen. Appellante heeft in hoger beroep geen medische informatie overgelegd die haar standpunt onderbouwt dat haar beperkingen door de verzekeringsartsen zijn onderschat.
4.2.
Uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde en in de FML weergegeven belastbaarheid, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellante in medisch opzicht in staat is de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. In de arbeidskundige rapporten is voldoende inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat de belasting in deze functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt. De gesignaleerde mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante zijn naar behoren gemotiveerd.
4.3.
Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.H. Banda, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2015.
(getekend) P.H. Banda
(getekend) N. Veenstra

AP