ECLI:NL:CRVB:2015:4967
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als pedagogisch medewerker, meldde zich ziek met pijn- en vermoeidheidsklachten. Het UWV stelde na onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde haar daarom een WIA-uitkering toe te kennen. Appellante maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV en later bevestigd door de rechtbank.
In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen door fibromyalgie werden onderschat en dat zij de voorbeeldfuncties niet kon vervullen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsartsen voldoende en overtuigend hadden gemotiveerd welke beperkingen zij ondervond en dat er geen aanleiding was om meer beperkingen aan te nemen. De medische stukken van het Riagg gaven geen aanleiding tot herziening van de belastbaarheid.
De Raad bevestigde dat appellante in staat was om voltijds te werken binnen de beperkingen zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst. De arbeidskundige rapporten toonden aan dat de belastbaarheid niet werd overschreden door de voorbeeldfuncties. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.