Uitspraak
,hoger beroep ingesteld.
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg een nabestaandenuitkering (ANW) aan na het overlijden van haar echtgenoot op 10 februari 2011. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde aanvankelijk de uitkering omdat appellante niet arbeidsongeschikt was voor minstens 45%. De rechtbank stelde in 2014 vast dat appellante op 10 februari 2011 wel degelijk meer beperkt was dan de Svb aannam en bepaalde dat de Svb opnieuw moest beslissen.
De Svb kende daarop een ANW-uitkering toe van 1 februari tot en met 31 december 2011. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond omdat uit het rapport van psychiater Mutsaers bleek dat het rouwproces in 2011 afnam en er daarna geen psychiatrische stoornis of objectief vaststelbare beperkingen meer waren.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de uitkering ten onrechte werd beperkt tot eind 2011 en overhandigde een brief van haar psycholoog Mesch. De Raad oordeelde dat deze brief onvoldoende gewicht had om het oordeel van Mutsaers te weerleggen, mede omdat Mutsaers ook over de periode na 2011 beschikte over informatie van Mesch en een zorgvuldig, consistent en gemotiveerd rapport had opgesteld.
De Raad concludeerde dat de Svb terecht heeft geoordeeld dat appellante na 31 december 2011 geen recht meer had op een ANW-uitkering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De ANW-uitkering is terecht toegekend tot en met 31 december 2011 en daarna beëindigd wegens het ontbreken van objectief vaststelbare beperkingen.