ECLI:NL:CRVB:2015:4990
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WAO-uitkering wegens geen toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig productiemedewerker, meldde zich in 2004 ziek met lichamelijke en later psychische klachten en kreeg een WAO-uitkering toegekend. Na herbeoordeling in 2011 stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op minder dan 15% en beëindigde de uitkering. Appellant gaf in 2012 aan dat zijn gezondheid verslechterd was, waarop het UWV een herbeoordeling uitvoerde en bij besluit van 18 november 2013 de toekenning van een WAO-uitkering weigerde op grond van artikel 43a WAO.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn gezondheid verslechterd was door operaties, een hartaanval en gehoorverlies en verzocht om een onafhankelijk medisch deskundige. Het UWV handhaafde het besluit.
De Raad oordeelde dat appellant geen objectieve medische gegevens had overgelegd die een toename van arbeidsbeperkingen na 4 juni 2011 onderbouwen. De verzekeringsartsen concludeerden dat de beperkingen onveranderd waren en dat nieuwe klachten zoals het hartinfarct geen verband hielden met de oorspronkelijke ziekteoorzaak. De Raad zag geen reden voor een ander oordeel of benoeming van een onafhankelijk deskundige en bevestigde de eerdere uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WAO-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid.