ECLI:NL:CRVB:2015:4999
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij vanaf 6 juni 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) juist was vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn behandelend artsen hem niet in staat achten te werken en dat het UWV onvoldoende informatie had opgevraagd, met name bij zijn huisarts. Tevens stelde appellant dat zijn medische klachten onderschat waren en dat het besluit niet zorgvuldig was gemotiveerd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de verzekeringsarts terecht heeft gevaren op zijn eigen oordeel. Er was geen aanleiding om aanvullende informatie bij de huisarts op te vragen, mede omdat appellant verklaarde al geruime tijd niet meer onder behandeling van de huisarts te zijn. De Raad stelt vast dat de FML correct is vastgesteld en dat appellant in staat wordt geacht de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te verrichten.
De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen grond voor een WIA-uitkering wegens volledige of duurzame arbeidsongeschiktheid. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.