ECLI:NL:CRVB:2015:506
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, die uitviel wegens buik- en psychische klachten, verzocht om een WIA-uitkering. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het onderzoek zorgvuldig was en het UWV zich terecht baseerde op geschiktheid voor eigen werk en geselecteerde functies.
In hoger beroep voerde appellante aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar fysieke en psychische beperkingen, waaronder ernstige aambei-klachten en noodzaak tot frequent toiletbezoek. Zij stelde dat zij per 14 januari 2013 arbeidsongeschikt was en niet pas vanaf de latere operatie. Het UWV handhaafde het besluit en betoogde dat de geschiktheid voor eigen werk leidend was.
De Raad oordeelde dat de gronden van appellante grotendeels herhaling waren en dat de rechtbank terecht het medisch oordeel van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige als juist had beoordeeld. De beperkingen waren adequaat in de Functionele Mogelijkhedenlijst verwerkt, en de arbeidsdeskundige had overtuigend beargumenteerd dat appellante geschikt was voor de geselecteerde functies. De Raad bevestigde dat het UWV zich mag baseren op zowel eigen werk als geselecteerde functies bij de beoordeling van het recht op WIA-uitkering.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.