ECLI:NL:CRVB:2015:568
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- P.H. Banda
- R.P.T. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verhoging WAO-uitkering wegens ontbreken medische noodzaak hulpbehoevendheid
Appellant ontvangt sinds 2002 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 2012 verzocht hij om verhoging van zijn uitkering wegens hulpbehoevendheid, maar dit verzoek werd afgewezen omdat uit verzekeringsgeneeskundig onderzoek bleek dat er geen medische noodzaak was voor geregelde oppassing en verzorging.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond, waarbij werd verwezen naar de beleidsregel op grond van artikel 22 WAO Pro. De verzekeringsartsen concludeerden dat appellant niet in aanmerking kwam voor ophoging tot 100% of 85% omdat hij niet hulpbehoevend is bij alle essentiële levensverrichtingen en geen continue oppas nodig heeft.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij vanwege zijn éénarmigheid geheel hulpbehoevend zou zijn en overhandigde hij medische stukken ter ondersteuning. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die gemotiveerd hadden waarom appellant niet in aanmerking komt voor verhoging.
De Raad oordeelde dat de toegekende thuishulp voor huishoudelijke en persoonlijke verzorging niet leidt tot een blijvende toestand van hulpbehoevendheid die geregelde oppassing vereist. Er was geen objectief-medische noodzaak voor toezicht of oppas aangetoond. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek tot verhoging van de WAO-uitkering wegens hulpbehoevendheid wordt afgewezen omdat geen medische noodzaak voor geregelde oppassing bestaat.