ECLI:NL:CRVB:2015:597
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijstand voor alleenstaande wegens gezamenlijke huishouding
Appellante vroeg bijstand aan naar de norm voor een alleenstaande, maar het college wees dit af omdat zij een gezamenlijke huishouding voert met een ander persoon op hetzelfde adres. De Raad beoordeelde dat appellante en de andere persoon hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en zorg droegen voor elkaar, wat blijkt uit gezamenlijke maaltijden, huishoudelijke taken en gebruik van elkaars boodschappen.
De verklaring van appellante tijdens het onderzoek, hoewel niet ondertekend, werd als betrouwbaar beschouwd. De rechtbank had het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en de Raad bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. Hierdoor had appellante geen recht op bijstand volgens de norm voor een alleenstaande.
De Raad oordeelde dat het college terecht de aanvraag afwees en dat het criterium van wederzijdse zorg objectief was vastgesteld. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De aanvraag van appellante voor bijstand naar de norm voor een alleenstaande is terecht afgewezen wegens gezamenlijke huishouding.