ECLI:NL:CRVB:2015:694

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 maart 2015
Publicatiedatum
10 maart 2015
Zaaknummer
13-4765 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47a WWBAlgemene Ouderdomswet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging en terugvordering van AIO-aanvulling wegens overschrijding vrij te laten vermogen

Appellante ontving vanaf april 2010 een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) naast haar ouderdomspensioen. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde bij besluit vast dat appellante beschikte over een vermogen dat de grens van het vrij te laten vermogen overschreed, waarna de AIO-aanvulling werd beëindigd en teruggevorderd over de periode april 2010 tot en met december 2012.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat het saldo op een Toprekening op haar naam toebehoorde aan haar zoon en dat zij niet over deze gelden kon beschikken, mede omdat deze waren bestemd voor begrafeniskosten. De Raad oordeelde dat het feit dat de rekening op haar naam stond, de veronderstelling rechtvaardigt dat zij over het tegoed kon beschikken.

Uit bewijsstukken bleek dat appellante bedragen van de Toprekening had overgeboekt naar haar betaalrekening en ter zitting verklaarde zij de gelden te gebruiken bij onvoorziene omstandigheden. Hierdoor kon worden vastgesteld dat zij feitelijk over het tegoed kon beschikken. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de AIO-aanvulling bevestigd.

Uitspraak

13/4765 WWB
Datum uitspraak: 10 maart 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
13 augustus 2012, 13/1517 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [Appellante] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door I.H. Dubois. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 24 augustus 2010 heeft de Svb aan appellante vanaf 15 april 2010 - in aanvulling op een (onvolledig) ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet - met toepassing van artikel 47a van de Wet werk en bijstand een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) toegekend. Bij dit besluit is het vermogen van appellante vastgesteld op € 5.275,53.
1.2.
Bij besluit van 21 december 2012 heeft de Svb appellante meegedeeld dat zij ten onrechte AIO-aanvulling heeft ontvangen. Bij besluit van gelijke datum heeft de Svb appellante mededelingen gedaan over het bedrag aan AIO-aanvulling dat zij ten onrechte heeft ontvangen en over de terugbetaling van dat bedrag. De Raad leest deze besluiten samengenomen aldus: de AIO-aanvulling wordt beëindigd met ingang van januari 2013, de AIO-aanvulling wordt ingetrokken over de periode van 15 april 2010 tot en met 31 december 2012 en het nettobedrag van € 1.419,68 aan AIO-aanvulling over die periode wordt van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 8 maart 2013 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen de besluiten van 21 december 2012 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellante vanaf 15 april 2010 beschikte over een vermogen dat uitging boven de grens van het vrij te laten vermogen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft niet bestreden dat de saldi van de op haar naam staande rekeningen het voor haar toepasselijke vrij te laten vermogen overstijgen. Zij heeft aangevoerd dat het saldo op de Toprekening toebehoort aan haar zoon en dat zij om die reden niet heeft kunnen beschikken over het tegoed op die rekening. Voorts heeft zij gesteld dat het saldo op de Toprekening voor een deel is opgebouwd uit door haarzelf en haar zoon ontvangen schadevergoedingen als gevolg van de Bijlmerramp en dat deze gelden zijn bestemd voor begrafeniskosten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Vast staat dat appellante ten tijde in geding een betaalrekening bij de Postbank ([nummer]) op naam had staan met daaraan gekoppeld een Bonusrenterekening en een Toprekening. Niet in geschil is dat appellante bij het college geen melding heeft gemaakt van de betreffende Toprekening.
4.2.
Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.
4.3.
Appellante is hier niet in geslaagd. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante op
3 oktober 2012 en 30 oktober 2012 bedragen van de Toprekening heeft overgeboekt naar haar betaalrekening. Ter zitting heeft appellante bovendien verklaard dat zij in geval van onvoorziene omstandigheden gebruik maakt van de gelden op de Toprekening. Reeds hieruit volgt dat appellante ten tijde in geding feitelijk gebruik heeft gemaakt van de Toprekening en dus feitelijk heeft kunnen beschikken over het op die rekening staande tegoed. Dat appellante, naar zij stelt, de gelden op de Toprekening - die bedoeld zijn om onder meer begrafeniskosten uit te voldoen - voor haar chronisch zieke zoon beheert, doet hieraan niet af.
4.4.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2015.
(getekend) M. Hillen
(getekend) P.C. de Wit

HD