ECLI:NL:CRVB:2015:704

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 maart 2015
Publicatiedatum
10 maart 2015
Zaaknummer
14-7077 MAW-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:2 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in ambtenarenrechtelijke sollicitatieprocedure

Verzoeker, werkzaam als medewerker voorlichtingsmateriaal, had gesolliciteerd op een locatiemanagerfunctie bij de minister van Defensie. Hij werd niet uitgenodigd voor de eerste sollicitatieronde vanwege zijn afstand tot de DEF-datum. De minister verklaarde het bezwaar tegen deze mededeling niet-ontvankelijk omdat het geen besluit was en geen rechtsgevolgen had.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat verzoeker niet rechtstreeks in zijn rechtspositie was getroffen. Verzoeker stelde in hoger beroep dat de mededeling wel als besluit moest worden aangemerkt en dat zijn kansen waren verkleind doordat een geschikte kandidaat in de eerste ronde werd gevonden.

Verzoeker verzocht om een voorlopige voorziening om de sollicitatieprocedure stil te leggen of alsnog uitgenodigd te worden. De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang was komen te vervallen omdat de sollicitatie- en toewijzingsprocedure inmiddels was afgerond met een afwijzings- en een toewijzingsbesluit.

De voorzieningenrechter wees het verzoek af en stelde dat toekomstige uitsluiting bij sollicitaties geen spoedeisend belang oplevert. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

14/7077 MAW-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Minister van Defensie (minister)
Datum uitspraak: 9 maart 2015
PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. S.M. ten Seldam hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (rechtbank) van 17 december 2014, 14/11203 (aangevallen uitspraak).
Namens verzoeker heeft mr. Ten Seldam tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Ten Seldam. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. H.J.M.R. van den Ende-de Boer en mr. L.H. Kerkkamp-de Rijcke.

OVERWEGINGEN

1.1.
Verzoeker is werkzaam in de functie van medewerker voorlichtingsmateriaal I-net bij het [Dienstencentrum]Hij heeft bij e-mail van 29 oktober 2014 geopteerd voor de functie van locatiemanager NSE te Münster (Duitsland) met vacaturenummer [nummer], die per 1 mei 2015 vrijvalt (geambieerde functie).
1.2.
Bij e-mail van 14 november 2014 is van de zijde van de minister aan verzoeker bevestigd dat de eerste voorkeur uitgaat naar medewerkers die bij aanvang van de nieuwe functie op
1 mei 2015 minder dan drie maanden afzitten van de zogenaamde DEF-datum, de datum waarop ze van functie moeten wisselen. Daarom zal met deze medewerkers als eerste worden gesproken. Als die gesprekken geen geschikte kandidaat voor de vacante functie opleveren, zal worden gesproken met sollicitanten die bij aanvang van de nieuwe functie meer dan drie maanden van de DEF-datum af zitten.
1.3.
Op 25 november 2014 is aan verzoeker mondeling meegedeeld dat hij vooralsnog niet wordt uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek, omdat hij bij aanvang van de geambieerde functie op 1 mei 2015 niet minder dan drie maanden van de zogenaamde DEF-datum af zit.
1.4.
Bij besluit van 9 december 2014 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen de mededeling van 25 november 2014 niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat deze mededeling geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en ook geen met een besluit gelijk te stellen handeling op grond van artikel 8:2 van Pro de Awb. De mondelinge mededeling heeft volgens de minister geen rechtsgevolgen, omdat verzoeker niet is uitgesloten van de sollicitatieprocedure, niet is afgewezen voor de geambieerde functie en de functie nog niet aan iemand is toegewezen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep (14/11203) tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister het bezwaar tegen de mondelinge mededeling van 25 november 2014 op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard nu die mededeling geen besluit of een daarmee gelijk te stellen handeling is. Daartoe is voor de rechtbank redengevend dat verzoeker door de mededeling niet rechtstreeks in een rechtspositioneel belang is getroffen. Hij is bodemgeschikt geacht en niet uitgesloten van de sollicitatieprocedure. Zijn sollicitatie is aangehouden in afwachting van de uitkomst van de met andere kandidaten gevoerde gesprekken, de sollicitatieprocedure is nog gaande en hij is niet afgewezen voor de geambieerde functie. Dat verzoekers kansen door de aanhouding van zijn sollicitatie zijn verkleind, maakt dit niet anders.
3.1.
Verzoeker heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de onder 1.3 vermelde mededeling op grond van artikel 8:2, eerste lid, van de Awb wel met een besluit moet worden gelijkgesteld en dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Volgens verzoeker is hij wel in zijn rechtspositioneel belang getroffen, nu de uitsluiting van de eerste gespreksronde zijn kansen heeft verkleind, er in de eerste gespreksronde een geschikte kandidaat is gevonden en de minister voornemens is om die kandidaat in de door verzoeker geambieerde functie te plaatsen.
3.2.
Verzoeker heeft verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening de minister op te dragen de sollicitatie- en toewijzingsprocedure op te schorten totdat de Raad uitspraak heeft gedaan op het hoger beroep dan wel te bepalen dat de minister hem alsnog uitnodigt voor een sollicitatiegesprek. Daartoe heeft hij aangevoerd dat benoeming van een andere ambtenaar op de geambieerde functie betekent dat er geen formatieruimte meer is om hem hierop te plaatsen.
4. Bij besluit van 5 januari 2015 heeft de minister afwijzend beslist op de sollicitatie van verzoeker naar de geambieerde functie. Verzoeker heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
5.1.
Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
5.2.
Verzoeker wil met zijn hoger beroep bereiken dat het bezwaar tegen de mondelinge mededeling van 25 november 2014 inhoudelijk wordt beoordeeld en dat de uitkomst daarvan is dat hij ten onrechte niet is uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. Zijn belang bij de gevraagde voorziening was hierin gelegen dat de geambieerde functie niet meer beschikbaar zou zijn indien hij de behandeling van het hoger beroep zou afwachten. Nu de sollicitatie- en toewijzingsprocedure intussen is afgerond met een afwijzings- en een toewijzingsbesluit, is het (spoedeisend) belang van verzoeker bij de gevraagde voorziening verloren gegaan. De gevraagde voorziening - het stilleggen van die toewijzingsprocedure - is immers niet meer toewijsbaar.
5.3.
Dat verzoeker, zoals hij heeft gesteld, door de werkwijze van de minister ook bij eventuele toekomstige sollicitaties kan worden uitgesloten van de eerste ronde van sollicitatiegesprekken, levert geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorziening in deze hoger beroepsprocedure op.
5.4.
Uit het vorenstaande volgt dat niet voldaan is aan de in artikel 8:108, eerste lid, van de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, zodat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.
6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van
C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
9 maart 2015.
(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans
(getekend) C.M.A.V. van Kleef

MK