ECLI:NL:CRVB:2015:829
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging AWBZ-indicatie wegens voorliggende zorg op grond van Zvw
Appellant was tot februari 2012 onder behandeling voor psychische problematiek en had een indicatie voor AWBZ-zorg. Na een aanvraag tot uitbreiding van de indicatie heeft het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) de indicatie voor Begeleiding Individueel (BI) teruggebracht en uiteindelijk beëindigd omdat de begeleiding tijdens een wachttijd via de Zorgverzekeringswet (Zvw) werd verzorgd.
Appellant stelde onder meer dat het verbod op reformatio in peius was geschonden, dat CIZ niet zonder nader onderzoek mocht verwijzen naar de Zvw en dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was. De rechtbank verwierp deze gronden en oordeelde dat de indicatie terecht was beëindigd.
In hoger beroep heeft de Raad zich aangesloten bij het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukte dat AWBZ-zorg alleen geïndiceerd hoeft te worden als behandeling op grond van de Zvw niet beschikbaar is of geweigerd wordt, wat hier niet het geval was. Ook oordeelde de Raad dat het bestuursorgaan een gemaakte fout mag herstellen zonder dat dit leidt tot schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zeker gezien de gehanteerde overgangstermijn van zes weken.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de AWBZ-indicatie en verklaart het hoger beroep ongegrond.