Uitspraak
OVERWEGINGEN
.Uit het rapport van de arbeidsdeskundige van
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds 2002 een WAO-uitkering en is vanaf 30 november 2011 gaan werken voor 16 uur per week. Het UWV heeft de uitkering op grond van artikel 44, eerste lid, WAO verlaagd en de te veel betaalde bruto uitkering van €589,10 teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij neveninkomsten mocht hebben zonder gevolgen voor zijn uitkering en dat het UWV onduidelijkheid gaf over de toegestane verdiensten. Hij voerde aan dat eerdere inkomsten niet tot verlaging leidden en dat het doorbetalen in december 2011 een gerechtvaardigd vertrouwen wekte.
De Raad oordeelt dat het UWV het besluit niet op onjuiste gronden heeft genomen en dat artikel 57 WAO Pro een dwingendrechtelijke terugvorderingsplicht bevat. Het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan. Uit eerdere arbeidsdeskundige rapporten blijkt dat appellant redelijkerwijs kon weten dat inkomsten invloed hadden op de uitkering. De terugvordering op bruto basis is volgens vaste rechtspraak correct.
Er is geen dringende reden om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Een verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van de te veel betaalde WAO-uitkering bevestigd.