Niet in geschil is dat er problemen in de arbeidsverhouding zijn ontstaan na het samenvoegen van de administratie en het Centraal Meldpunt in 2006, waarbij collega’s F en Z en appellante in dezelfde werkruimte zijn geplaatst. Na conflicten tussen appellante en haar collega’s F en Z is appellante in een kamer apart geplaatst.
In september 2007 is appellante in conflict geraakt met haar toenmalige leidinggevende. Vanaf september 2008 tot medio 2009 is appellante bij herhaling in aanvaring gekomen met een nieuwe leidinggevende.
Door de stichting is naar aanleiding van de klachten van appellante een aantal zogenoemde heisessies georganiseerd met collega’s Z en F onder leiding van Kl.
Vanaf 2009 heeft de directie van[naam scholengemeenschap] zich bemoeid met de conflicten waarin appellante was betrokken.
Met ingang van het schooljaar 2009-2010 is appellante bij de afdeling financieel administratieve dienstverlening geplaatst. Vanaf dat moment had appellante functioneel niet meer te maken met collega’s F en Z. Tussen appellante en collega’s F en Z bleven zich echter conflicten voordoen. Ook ontstonden conflicten tussen appellante en collega H en tussen appellante en leidinggevende B.
In januari 2010 is een gesprek met de P&O adviseur van[naam scholengemeenschap] bij appellante thuis gevoerd in verband met de moeizame samenwerking met de nieuwe leidinggevende H.
Vanaf april 2010 is een traject ingezet met bedrijfsmaatschappelijk werk, dat is beëindigd omdat de bedrijfsmaatschappelijk werker te kennen heeft gegeven in het traject met appellante geen enkele vooruitgang te boeken.
In september 2010 is appellante overgeplaatst en te werk gesteld onder leiding van Ka.
In november 2010 volgden twee gesprekken tussen appellante en de algemeen directeur K over een nieuw conflict met voormalig leidinggevende B.
Appellante is bij dagvaarding van 22 september 2011 een procedure gestart bij de rechtbank Assen met het doel het verkrijgen van een verklaring voor recht dat de stichting heeft gehandeld in strijd met haar verplichting zich te gedragen als goed werkgever. Appellante heeft vertrouwelijke correspondentie over leerlingen in de procedure ingebracht. De rechtbank Assen heeft appellante in een uitspraak van 31 januari 2012 niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante zich als ambtenaar dient te wenden tot de bestuursrechter.
Op 6 februari 2012 heeft appellante een gesprek met Ka gehad. De houding en uitlatingen van appellante in dat gesprek waren voor de stichting de spreekwoordelijke druppel waarna is overgegaan tot ontslag.