Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2015:983

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 maart 2015
Publicatiedatum
31 maart 2015
Zaaknummer
14-1110 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten echtscheidingsprocedure

Appellante heeft bijzondere bijstand gevraagd voor kosten gerelateerd aan het starten van een echtscheidingsprocedure, waaronder kosten van een deurwaarder en het verkrijgen van officiële documenten, ter hoogte van €57,42. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees dit verzoek af omdat deze kosten als algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan worden beschouwd die uit het eigen inkomen moeten worden betaald.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad overweegt dat bijzondere bijstand alleen wordt toegekend als kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden die het onmogelijk maken deze uit het inkomen of algemene bijstand te betalen.

Appellante stelde dat zij door onvoorziene kosten en schulden niet in staat was de kosten zelf te dragen, maar de Raad oordeelde dat deze omstandigheden niet als bijzonder worden aangemerkt. Schulden kunnen niet worden afgewenteld op de WWB. De aanvraag van appellante is daarom terecht afgewezen en het hoger beroep wordt verworpen.

Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten van de echtscheidingsprocedure wordt afgewezen.

Uitspraak

14/1110 WWB
Datum uitspraak: 31 maart 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
17 februari 2014, 13/6287 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Sloot, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2015. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C. van Helvoort.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Op 31 juli 2013 heeft appellante een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend voor kosten die verband houden met het entameren van een echtscheidingsprocedure, waaronder kosten van een deurwaarder, uittreksels uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie Personen), een huwelijksakte en een geboorteakte, tot een bedrag van in totaal € 57,42.
1.2.
Bij besluit van 23 augustus 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 oktober 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand van appellante afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd, voor zover nog van belang, dat de betreffende kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die uit eigen middelen moeten worden voldaan.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad verwijst voor de toepasselijke wet- en regelgeving naar de aangevallen uitspraak en komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
4.2.
De kosten die verbonden zijn aan (het starten van) een echtscheidingsprocedure moeten worden gerekend tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die in beginsel dienen te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend indien de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.
4.3.
Appellante heeft aangevoerd dat zij als gevolg van de echtscheiding met onvoorziene kosten wordt geconfronteerd. Daarmee heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat deze nopen tot verlening van bijzondere bijstand. Nog daargelaten het relatief bescheiden bedrag aan kosten dat in dit geval is gemaakt, verschilt de situatie waarin appellante ten tijde in geding verkeerde immers niet in betekenende mate van die van andere personen die zich, in een soortgelijke echtscheidingssituatie met een inkomen op bijstandsniveau, voor dezelfde kosten zien gesteld. Dat appellante naar eigen zeggen schulden heeft en daardoor de kosten niet zelf kan dragen, is evenmin een bijzondere omstandigheid die verlening van bijzondere bijstand rechtvaardigt. Schulden, dan wel het ontbreken van voldoende reserveringsruimte als gevolg daarvan, kunnen niet worden afgewenteld op de WWB.
4.4.
In wat appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met haar persoonlijke omstandigheden. Het college heeft de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand terecht afgewezen.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en G.M.G. Hink en
C.J. Waterbolk als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2015.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) M.S. Boomhouwer

IJ