ECLI:NL:CRVB:2016:1038
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als schoonmaakster en meldde zich ziek vanwege pijn in haar rechterschouder. Na het einde van haar arbeidsovereenkomst vroeg zij een WIA-uitkering aan, die door het UWV werd afgewezen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld en de arbeidskundige beoordeling voldoende inzicht gaf in de passendheid van functies.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld, ondersteund door een rapport van een eigen verzekeringsarts. De Raad benoemde een onafhankelijke revalidatiearts die een gedegen onderzoek verrichtte en concludeerde dat de belastbaarheid van appellante correct was weergegeven en dat zij niet aan de criteria voor een hogere arbeidsongeschiktheid voldeed.
De Raad volgde het deskundigenrapport en verwierp het beroep van appellante. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en geen WIA-uitkering ontvangt.