ECLI:NL:CRVB:2016:1063
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Herziening intrekking en terugvordering bijstand wegens niet opgegeven werkzaamheden en kasstortingen
Appellant ontving bijstand sinds 2001 en werd in 2013 betrapt op werken achter de bar van een café, wat leidde tot een onderzoek door de gemeente Rotterdam. Het college trok de bijstand in en vorderde terugbetaling wegens niet opgegeven inkomsten en kasstortingen op een verzwegen bankrekening.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellant voerde in hoger beroep aan dat de stortingen afkomstig waren uit een spaarkas van cafébezoekers en dat hij vanwege MS slechts incidenteel onbezoldigd hielp. De Raad oordeelde dat de vaste uitgaven hoger waren dan de inkomsten tot 11 juni 2013, mede door kasopnames, maar dat vanaf 1 juli 2013 het café gesloten was en de intrekking vanaf die datum onvoldoende was gemotiveerd.
De Raad stelde vast dat appellant niet aannemelijk had gemaakt hoe hij het verschil tussen inkomsten en uitgaven financierde en dat zijn werkzaamheden als op geld waardeerbare arbeid moesten worden aangemerkt. De Raad vernietigde het besluit voor de periode vanaf 1 juli 2013 en gaf het college zes weken de tijd om het besluit te herzien met inachtneming van de overwegingen.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd voor het gedeelte vanaf 1 juli 2013 en het college krijgt zes weken om dit opnieuw te beoordelen.