ECLI:NL:CRVB:2016:108
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens niet-melding contant geldbedrag en schending inlichtingenplicht
Appellante ontvangt sinds 2008 bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van een melding van een verdachte transactie bij De Nederlandsche Bank in januari 2013, waarbij zij €18.000 in kleine coupures wisselde, startte de gemeente Amsterdam een onderzoek naar de rechtmatigheid van haar bijstandsuitkering.
Op basis van dit onderzoek trok het college de bijstand met ingang van 28 januari 2013 in, omdat appellante niet had gemeld dat zij over dit bedrag beschikte en de geldwissel had uitgevoerd. Appellante betwistte in hoger beroep dat zij over het geldbedrag kon beschikken, maar kon dit niet met objectieve gegevens aannemelijk maken. De verklaring van haar zoon, die ontkende het geld te hebben ontvangen, werd door het college meegewogen.
De Raad oordeelde dat de vooronderstelling dat het contante bedrag tot het vermogen behoort waarover appellante kon beschikken, niet was weerlegd. Door het niet melden van het geldbedrag en het ontbreken van duidelijkheid over de bestemming ervan, kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De intrekking was daarom terecht. De Raad vernietigde het vonnis voor zover het niet op het bezwaar tegen het eerste besluit was beslist, verklaarde dat beroep niet-ontvankelijk en bevestigde het overige. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt bevestigd wegens schending van de inlichtingenplicht over het contante geldbedrag.