ECLI:NL:CRVB:2016:1117
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na beoordeling arbeidsongeschiktheid verzekeringsarts
Appellante, die minder dan 15% arbeidsongeschikt was verklaard, meldde zich ziek wegens rug- en schouderklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een medisch onderzoek door een verzekeringsarts van het UWV werd haar uitkering per 18 februari 2013 beëindigd omdat zij geschikt werd geacht voor haar arbeid. Appellante maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig was en dat er geen nieuwe medische gegevens waren die een andere beoordeling rechtvaardigden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat de belastbaarheid van appellante niet was verminderd ten opzichte van een eerder vastgesteld FIS-formulier uit 1999.
In hoger beroep stelde appellante dat zij niet in staat was haar kenmerkende werkzaamheden te verrichten en dat de rechtbank ten onrechte geen nieuwe medische gegevens had erkend. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en de verzekeringsarts, die zowel lichamelijk als geestelijk onderzoek had verricht en geen objectieve psychopathologie had vastgesteld.
De Raad concludeerde dat de beperkingen van appellante passen bij de medische bevindingen en dat zij geschikt is voor haar laatstelijk verrichte arbeid. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering en wijst het verzoek om schadevergoeding af.