Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:1130

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 maart 2016
Publicatiedatum
30 maart 2016
Zaaknummer
14/2839 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. van Leeuwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV wegens onvoldoende arbeidsdeskundige motivering met in stand laten rechtsgevolgen

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het UWV van 17 april 2013 betreffende haar arbeidsongeschiktheid. De rechtbank Rotterdam heeft dit besluit in stand gelaten, maar de Centrale Raad van Beroep heeft bij tussenuitspraak het UWV opgedragen het besluit nader te motiveren vanuit arbeidsdeskundig perspectief.

Het UWV heeft vervolgens een aanvullend rapport van een arbeidsdeskundige ingediend waarin wordt geconcludeerd dat er geen persoonlijk risico bestaat bij de functies ‘Productmedewerker textiel, geen kleding’ en ‘Productiemedewerker papier, karton, drukkerij’, ook niet bij onvoorspelbare epileptische aanvallen. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt met betrekking tot bepaalde werkzaamheden binnen deze functies.

De Raad oordeelt echter dat het aanvullende rapport inzichtelijk en overtuigend is en dat de werkplekinrichting zodanig is dat er geen verhoogd persoonlijk risico is. De door appellante aangevoerde bezwaren zijn laat ingebracht en onvoldoende onderbouwd. Daarom is het besluit nu wel voldoende gemotiveerd, maar het eerdere besluit en de uitspraak worden vernietigd. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

14/2839 WIA
Datum uitspraak: 18 maart 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Einduitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
24 april 2014, 13/3560 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 27 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4337) een tussenuitspraak gedaan. Bij die tussenuitspraak is het Uwv opgedragen het gebrek in het besluit van
17 april 2013 (bestreden besluit) te herstellen met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen.
Bij brief van 21 december 2015 heeft het Uwv een rapport van 18 december 2015 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend, waarin een nadere onderbouwing van het bestreden besluit wordt gegeven.
Namens appellante heeft M.J.M. Strijbosch hierop een reactie ingezonden.
Partijen hebben toestemming gegeven de behandeling ter zitting achterwege te laten.

OVERWEGINGEN

1. In de tussenuitspraak is geoordeeld dat er geen reden bestaat om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat met de Functionele Mogelijkhedenlijst van 3 oktober 2012 in voldoende mate rekening is gehouden met de bij appellante bestaande beperkingen van haar mogelijkheden om arbeid te verrichten. Wel heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gegeven motivering in dit specifieke geval - gegeven de aard en omschrijving van en de werkzaamheden behorend tot de functies “Productmedewerker textiel, geen kleding”
(SBC-code 272043), en “Productiemedewerker papier, karton, drukkerij”
(SBC-code 111174) - niet volstaat om de geschiktheid van die twee functies te onderbouwen.
2.1.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv een rapport van 18 december 2015 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingezonden. In dat rapport komt die arbeidsdeskundige tot de conclusie dat in geen van de onder 1 genoemde functies sprake is van een persoonlijk risico dat zich kan voordoen bij een epileptische aanval die appellante niet voelt aan komen. Dit omdat de desbetreffende werkplekken dusdanig zijn ingericht dat ook bij willekeurige en onbewuste onderbreking van de werkzaamheden er zich geen risico’s voordoen.
2.2.
In reactie op dit rapport heeft appellante aangevoerd dat het persoonlijk risico bij de functie “Productmedewerker textiel, geen kleding” (SBC-code 272043) niet alleen bestaat voor het strijken of stomen maar zich ook uitstrekt tot de stikwerkzaamheden in die functie. Wat betreft de functie “Productiemedewerker papier, karton, drukkerij” (SBC-code 111174) is er ook sprake van persoonlijk risico bij stansen, stempelen en stikken.
3. De Raad komt tot het volgende oordeel.
3.1.
Ter beoordeling staat thans nog of het bestreden besluit van 17 april 2013 gelet op de nadere onderbouwing daarvan alsnog in arbeidsdeskundig opzicht deugdelijk is gemotiveerd.
3.2.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep komt naar het oordeel van de Raad in het rapport van 18 december 2015 inzichtelijk en overtuigend tot de conclusie dat er - gelet op de inrichting van de werkplekken van de onder 1 genoemde functies - geen sprake is van een persoonlijk risico, ook niet nu appellante de epileptische aanvallen niet voelt aankomen. Daarbij is het volgende van belang. Wat betreft de functie “Productmedewerker textiel, geen kleding” (SBC-code 272043) merkt die arbeidsdeskundige ter onderbouwing van die stelling op:
“In deze functie wordt er (zeer )incidenteel met een strijkbout gewerkt. Deze is met een verende constructie bevestigd aan de strijktafel. Bij (per ongeluk) los laten van de strijkbout valt deze dus niet op de grond, maar veert terug naar een neutrale positie bij de strijktafel waardoor er geen risico op het oplopen van brandwonden ontstaat.”.
Bij de functie “Productiemedewerker papier, karton, drukkerij” (SBC-code 111174) onderbouwd hij zijn conclusie aldus:
“In het bedrijf zijn alle machines met messen voorzien van een sensor. Zodra de sensor onderbroken wordt, bijv. door een hand, blokkeert de machine. Zodoende is persoonlijk risico niet ingevuld.”
Er bestaat geen aanleiding te twijfelen aan het hiervoor weergegeven oordeel van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Van belang daarbij is dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet uitsluitend is afgegaan op zijn eigen bevindingen maar zich mede baseert op de analyses van de arbeidskundig analist(en). Uit het vorenstaande vloeit voort dat de werkzaamheden in beide genoemde functies geen verhoogd persoonlijk risico met zich brengen en derhalve de functionele mogelijkheden van appellante niet overschrijden. In het bijzonder is er geen sprake van een overschrijding van beoordelingspunt 1.99.
3.3.
Naar aanleiding van de door appellante gegeven zienswijze dat de persoonlijke risico’s in de functies ook bij andere aspecten optreden dan alleen bij strijken en snijden, merkt de Raad op dat deze bezwaren eerst nadat het Uwv uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak zijn aangevoerd en derhalve in een zeer laat stadium van de procedure. Niet valt in te zien waarom die argumenten niet in een eerder stadium door appellante hadden kunnen worden aangevoerd. Voorts worden die argumenten niet verder onderbouwd. Dit betekent dat er geen reden is om te twijfelen aan de onder 3.2 weergegeven - met tussenkomst van de arbeidskundige analist(en) - tot stand gekomen conclusies van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
4. Het bestreden besluit is eerst in hoger beroep - na tussenuitspraak - van een voldoende motivering voorzien. Het bestreden besluit evenals de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, komen voor vernietiging in aanmerking. Gelet op hetgeen onder 3.2 en 3.3 is overwogen bestaat er reden de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 496,- in bezwaar, € 992,- in beroep en op € 1.240,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • vernietigt het besluit van 17 april 2013;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.728,-;
  • bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 166,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2016.
(getekend) H. van Leeuwen
(getekend) N. van Rooijen

AP