ECLI:NL:CRVB:2016:124
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid bezwaar bijstand wegens onvoldoende verzendbewijs
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en kreeg deze bij besluit van 18 november 2013 met ingang van 5 november 2013 ingetrokken. Appellant maakte op 6 januari 2014 bezwaar tegen dit besluit. Het college verklaarde dit bezwaar bij besluit van 6 maart 2014 niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat het besluit later was ontvangen omdat het op een ander adres was bezorgd en door bewoners aan hem was doorgegeven. Het college gebruikte de Diamant-groep voor postbezorging, waarbij medewerkers met een beperking de post sorteerden en bezorgden. De Raad oordeelde dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het besluit daadwerkelijk tijdig was bezorgd, omdat er geen deugdelijke verzendadministratie was en het mogelijk was dat bezorgfouten voorkwamen.
Hierdoor kon niet worden vastgesteld wanneer de bezwaartermijn was aangevangen. Het bezwaar was daardoor tijdig ingediend. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het college binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de intrekking van de bijstand is tijdig ingediend; het college moet opnieuw op het bezwaar beslissen.