Appellant had een WAO-uitkering die per 2 februari 2007 werd ingetrokken omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Na bezwaar en beroep werd het besluit in 2008 opnieuw bevestigd en kwam het in rechte vast te staan. In 2013 verzocht appellant om herziening van het besluit, waarbij hij stelde dat er nieuwe medische feiten waren, onder meer een verklaring van zijn huisarts uit 2013.
Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die het besluit van 2006 onjuist maakten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de aangevoerde medische verklaringen geen nieuwe feiten waren en dat de procedure niet volledig was, maar dat dit eerder had moeten worden aangevoerd.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat het UWV terecht het verzoek tot herziening heeft afgewezen omdat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Wel stelt de Raad vast dat het UWV niet heeft beoordeeld of appellant aanspraak kan maken op een uitkering voor de toekomst of op grond van de Wet Amber, waardoor het besluit onzorgvuldig is voorbereid. De Raad bevestigt uiteindelijk het bestreden besluit met verbetering van gronden en veroordeelt het UWV in de proceskosten.