ECLI:NL:CRVB:2016:1373
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ZW-uitkering wegens geschiktheid voor WIA-functies
Appellant was tot april 2010 werkzaam als houtmachinemedewerker en meldde zich in september 2010 ziek. Het UWV stelde vast dat hij vanaf september 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde zijn WIA-uitkering. In 2014 meldde appellant zich opnieuw ziek en werd medisch onderzocht. De verzekeringsarts oordeelde dat appellant geschikt was voor ten minste één van de functies die in het kader van de WIA-beoordeling waren geselecteerd.
Het UWV beëindigde daarop de ZW-uitkering per 25 april 2014. Appellant maakte bezwaar en stelde dat zijn psychische beperkingen, waaronder een ernstige depressie, niet goed waren beoordeeld. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en ook in hoger beroep werd het medisch oordeel bevestigd. De Raad oordeelde dat de klachten bekend waren en meegewogen, en dat er geen aanwijzingen waren voor ernstige psychopathologie die het oordeel zouden ondermijnen.
Hoewel de toestand van appellant later verslechterde, betrof de beoordeling de situatie op 25 april 2014. Het verzoek om benoeming van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de ZW-uitkering per 25 april 2014 wordt bevestigd.