ECLI:NL:CRVB:2016:1383
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor alternatieve functies
Appellante was werkzaam als begeleidster in een woonvorm voor ouderen en meldde zich ziek op 23 december 2008. Na beëindiging van haar dienstverband in 2010 ontving zij een uitkering op grond van de Wet WIA en later de Werkloosheidswet. Het UWV stelde vast dat zij per 1 juli 2013 geschikt was voor functies als telefonist/receptionist en receptionist/baliemedewerker, waarna de Ziektewetuitkering werd beëindigd.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij vanwege haar klachten niet in staat was deze functies uit te oefenen en verwees naar haar behandelend revalidatiearts. De verzekeringsartsen hebben haar echter zorgvuldig onderzocht en concludeerden dat zij met haar beperkingen de maatgevende werkzaamheden kon verrichten. De rechtbank en de Raad volgden dit oordeel en zagen geen aanleiding een deskundige te benoemen.
De Raad oordeelde dat de verzekeringsartsen op overtuigende wijze hadden vastgesteld dat appellante geschikt was voor de genoemde functies en dat de informatie van de revalidatiearts geen aanleiding gaf tot een ander oordeel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 1 juli 2013 bevestigd.