ECLI:NL:CRVB:2016:1451
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Wubo wegens ontbreken directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld
Appellant, geboren in 1936 in het toenmalig Nederlands-Indië, heeft meerdere keren een aanvraag ingediend voor toekenningen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Deze aanvragen werden telkens afgewezen omdat niet was vastgesteld dat appellant direct betrokken was bij oorlogsgeweld.
In 2014 diende appellant opnieuw een aanvraag in, ondersteund door een medisch verslag, maar verweerder wees deze af wegens het ontbreken van nieuwe feiten die tot herziening zouden leiden. Appellant stelde dat hij psychische problemen had door oorlogshandelingen en dat hij vanwege oorlogsgeweld naar Nederland moest vluchten.
De Raad oordeelde dat voor toekenning op grond van de Wubo directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld vereist is, en dat medische gevolgen pas daarna relevant zijn. De vlucht naar Nederland in 1956 viel buiten de reikwijdte van de Wubo, die alleen oorlogsgebeurtenissen tot 27 december 1949 bestrijkt. Het hevige gevecht in Soerabaja was onvoldoende om directe betrokkenheid aan te nemen.
De Raad concludeerde dat geen nieuwe feiten waren aangevoerd die tot herziening van het besluit konden leiden en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de Wubo-aanvraag wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van nieuwe feiten en directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld.