ECLI:NL:CRVB:2016:1453
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag gelijkstelling op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Appellant, geboren in 1939 in voormalig Nederlands-Indië, diende in 2013 een aanvraag in voor toekenningen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Deze aanvraag werd in juli 2014 afgewezen omdat niet kon worden vastgesteld dat appellant vervolging had ondergaan zoals bedoeld in de Wuv. Wel werd onderzocht of appellant gelijkgesteld kon worden met de vervolgden vanwege het overlijden van zijn vader door vervolging.
Appellant ging in beroep en benadrukte zijn internering tijdens de oorlog. Echter, noch het Nederlandse Rode Kruis noch de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen kon deze internering bevestigen. Ook waren er geen getuigenverklaringen die dit konden ondersteunen. De vermeende opsluiting tijdens de Bersiapperiode valt buiten de reikwijdte van de Wuv.
De Raad concludeerde dat geen sprake was van vervolging in de zin van de Wuv en dat appellant ook niet gelijkgesteld kon worden met de vervolgden wegens het ontbreken van ziekten of gebreken die verband houden met zijn oorlogsomstandigheden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van bewijs voor vervolging en gelijkstelling.