ECLI:NL:CRVB:2016:156
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- G. van Zeben-de Vries
- L. Koper
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geschil over weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante meldde zich in april 2011 ziek vanwege psychische en bekkenklachten. Het UWV stelde in maart 2013 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde daarom een WIA-uitkering. Na bezwaar en beroep werden de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangepast, maar het arbeidsongeschiktheidspercentage bleef onder de 35%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische beperkingen onvoldoende waren meegewogen en dat praktische voorzieningen zoals geluidsschermen en vervoersvoorzieningen onzeker waren. De Raad oordeelde dat het UWV de beperkingen niet had onderschat en dat de geselecteerde functies passend waren, mede omdat eenvoudige voorzieningen redelijkerwijs van een werkgever kunnen worden verlangd.
De Raad vond de toelichting op het oplossend vermogen van appellante voldoende en concludeerde dat er geen medische gronden waren om te veronderstellen dat zij alleen onder permanente begeleiding kon reizen. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.