Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:1570

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 april 2016
Publicatiedatum
29 april 2016
Zaaknummer
14-2072 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering AOW-uitkering wegens onvoldoende bewijs verzekerde tijd in Nederland

Appellant, geboren in 1947, heeft een AOW-pensioen aangevraagd met de stelling dat hij eind jaren zeventig en begin jaren tachtig in Nederland heeft gewoond en gewerkt. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde de uitkering omdat niet kon worden vastgesteld dat appellant verzekerd tijd had opgebouwd.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond nadat de Svb aanvullend onderzoek had gedaan bij de gemeente Rotterdam, een kaasfabriek en pensioenfondsen, waaruit bleek dat appellant niet in hun bestanden voorkomt. Appellant heeft niet kunnen aantonen dat hij in Nederland verzekerd was.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het onderzoek van de Svb zorgvuldig was en bevestigt de eerdere uitspraak. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 29 april 2016.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de AOW-uitkering wegens onvoldoende bewijs van verzekerde tijd in Nederland.

Uitspraak

14/2072 AOW
Datum uitspraak: 29 april 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2014, 12/5352 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft op 3 mei 2014 en 9 juni 2014 nog nadere brieven aan de Raad gezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2016. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Weerd.

OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren in 1947, heeft met een formulier gedateerd 20 oktober 2011 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Hij heeft daarbij aangegeven eind jaren zeventig en begin jaren tachtig van de vorige eeuw in Nederland gewoond en gewerkt te hebben en sindsdien weer in Marokko te wonen. Met een besluit van 31 mei 2012 heeft de Svb geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een
AOW-pensioen, omdat niet is gebleken dat hij in Nederland heeft gewoond en gewerkt en hij dus geen verzekerde tijdvakken heeft opgebouwd. Met een beslissing op bezwaar van
3 oktober 2012 (bestreden besluit) is het besluit van 31 mei 2012 in stand gelaten.
2. De rechtbank heeft, na een schorsing om de Svb in de gelegenheid te stellen een nader stuk in te dienen, het beroep ongegrond verklaard.
3. Er is geen aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen. Met de rechtbank moet geoordeeld worden dat de Svb voldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan om te kunnen vaststellen of appellant enige tijd in Nederland verzekerd is geweest voor de AOW. Op basis van het ingestelde onderzoek, naar aanleiding van de door appellant ingezonden bewijsstukken en andere door hem gemelde gegevens, kan niet tot die conclusie worden gekomen. Appellant stelt in Rotterdam te hebben gewoond, in een aantal tuinderijen en bij een kaasfabriek te hebben gewerkt en bij de Stichting Ziekenfonds Rotterdam verzekerd te zijn geweest. De Svb heeft informatie ingewonnen bij de gemeente Rotterdam, bij genoemde kaasfabriek en bij de pensioenfondsen waar appellant, gezien zijn gestelde werkzaamheden, verzekerd zou kunnen zijn geweest. Alle aangeschreven organisaties hebben aangegeven dat appellant niet voorkomt in hun bestanden, voor zover nog gegevens uit die tijd beschikbaar zijn. Hieruit volgt dat niet vastgesteld kan worden of appellant enige tijd in Nederland heeft gewoond en/of gewerkt en op grond daarvan verzekerd voor de AOW is geweest.
4. Voor een veroordeling in de vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2016.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip verzekerde.