Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:1593

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 april 2016
Publicatiedatum
2 mei 2016
Zaaknummer
14/3464 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging loongerelateerde WGA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV dat haar een loongerelateerde WGA-uitkering toekende vanaf 20 november 2012. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen niet waren onderschat.

In hoger beroep stelde appellante dat haar medische beperkingen werden onderschat en dat zij niet in staat was de geselecteerde functies te vervullen, mede door het ontbreken van herstel ondanks behandelingen en haar afhankelijkheid van familieondersteuning.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische grondslag van het besluit juist was en dat de verzekeringsartsen zorgvuldig onderzoek hadden verricht, waarbij ook de informatie van de behandelend sector was meegewogen. De Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) bevatte ruime beperkingen, inclusief een urenbeperking tot 20 uur per week. Er waren geen objectieve medische gegevens die aanleiding gaven tot een ander oordeel.

De Raad concludeerde dat de geselecteerde functies medisch gezien geschikt waren voor appellante, zoals toegelicht in de arbeidsdeskundige rapporten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

14/3464 WIA
Datum uitspraak: 29 april 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 mei 2014, 13/5340 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[derde-belanghebbende] , gevestigd te [woonplaats] , derde-belanghebbende
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.E.E. Vollebregt hoger beroep ingesteld.
[derde-belanghebbende] heeft, als derde-belanghebbende, aan het geding deelgenomen.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 31 juli 2014 en van 19 augustus 2014 ingezonden.
Appellante heeft geen toestemming gegeven haar medische gegevens aan Randstad Groep te zenden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2016. Appellante en haar gemachtigde zijn – met kennisgeving vooraf – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 23 januari 2013 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij vanaf
20 november 2012 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
1.2.
Bij beslissing op bezwaar van 9 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 januari 2012 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat de beperkingen van appellante niet zijn onderschat. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken dat de belasting van de aan appellante voorgehouden functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt, zodat deze functies geschikt voor haar zijn.
3. In hoger beroep is herhaald dat de medische beperkingen van appellante zijn onderschat. Ter ondersteuning van dat standpunt is aangevoerd dat ondanks alle behandelingen gebleken is dat geen herstel van haar gezondheid is opgetreden. Appellante kan niet functioneren zonder de dagelijkse ondersteuning van haar familie en acht zichzelf niet in staat de door het Uwv geselecteerde functies te vervullen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De rechtbank heeft met juistheid de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. De verzekeringsartsen hebben zorgvuldig onderzoek verricht en de informatie van de behandelend sector kenbaar in hun beoordeling meegewogen. Er is geen aanleiding tot twijfel aan de vastgestelde beperkingen van appellante. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat in verband met zowel de psychische als de fysieke klachten van appellante in ruime mate beperkingen zijn opgenomen in de geldende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en dat vanwege de energetische toestand een urenbeperking tot 4 uur per dag, 20 uur per week is opgenomen.
In hoger beroep zijn geen objectieve medische gegevens ingebracht die aanleiding zouden kunnen geven voor een ander oordeel over de belastbaarheid van appellante.
4.2.
Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde FML kan worden geoordeeld dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante, gelet op de aan deze functies verbonden belastende aspecten. Dit is met de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 31 juli 2014 en 19 augustus 2014 voldoende nader toegelicht
5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L. Koper, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2016.
(getekend) L. Koper
(getekend) N. Veenstra

MO