ECLI:NL:CRVB:2016:1608
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging recht op vervolguitkering WIA na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling
Appellante, een voormalig lerares Nederlands, viel in mei 2012 uit wegens psychische klachten en ging in augustus 2012 ziek uit dienst. Het UWV stelde in maart 2014 vast dat zij recht heeft op een vervolguitkering op grond van de Wet WIA met een arbeidsongeschiktheid van 43,18%. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit werd door het UWV ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante tegen het besluit van het UWV ongegrond, omdat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen correct waren vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij onjuist was beoordeeld en recht had op een IVA-uitkering vanwege blijvende arbeidsongeschiktheid.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen in de FML terecht waren vastgesteld, mede gezien de psychische klachten en lichamelijke problematiek. De Raad vond geen medische onderbouwing voor een IVA-uitkering en bevestigde dat er nog behandelmogelijkheden zijn, waardoor duurzame arbeidsongeschiktheid niet is vastgesteld.
Ook de arbeidskundige beoordeling werd als juist beoordeeld. Omdat appellante haar standpunt niet met nieuwe medische gegevens onderbouwde, werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; appellante heeft recht op een vervolguitkering WIA maar geen IVA-uitkering.