ECLI:NL:CRVB:2016:1621
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift niet-ontvankelijk wegens te late indiening bestuursrechtelijke premie Zorgverzekeringswet
Appellant ontving een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid en werd geconfronteerd met een bestuursrechtelijke premie op grond van de Zorgverzekeringswet. Na diverse communicatieproblemen over de inhouding van deze premie door Achmea en het CJIB, werd appellant uiteindelijk geconfronteerd met een eindafrekening en een besluit dat hij zelf de premie moest betalen.
Appellant diende een bezwaarschrift in tegen het besluit van 10 februari 2011, maar dit gebeurde na het verstrijken van de wettelijke bezwaartermijn van zes weken. Het Zorginstituut verklaarde het bezwaar daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank oordeelde aanvankelijk anders over een deel van het bezwaar, maar bevestigde de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar tegen het besluit van 10 februari 2011.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat appellant te laat bezwaar heeft gemaakt en dat er geen omstandigheden zijn die het verzuim kunnen rechtvaardigen. Hierdoor blijft het besluit van 10 februari 2011 in stand. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De kwestie van schadevergoeding wordt in dit hoger beroep niet inhoudelijk behandeld, omdat appellant daarover geen oordeel wenst van de Raad.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit van 10 februari 2011 is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.