Appellant, woonachtig in Thailand, ontving een WAO-uitkering en een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg). Het UWV had aanvankelijk de tegemoetkoming voor 2011 geweigerd omdat appellant niet verzekerd was voor de AWBZ vanwege zijn verblijf in Thailand.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Later wijzigde het UWV het standpunt en kende met terugwerkende kracht vanaf 2011 een tegemoetkoming toe, conform de wettelijke bedragen. Appellant stelde dat de toegekende bedragen te laag waren en eiste een hogere vergoeding van €350 per jaar.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde het eerdere besluit van het UWV van 29 februari 2012 en verklaarde het beroep tegen het besluit van 24 oktober 2013 ongegrond, omdat de toegekende bedragen overeenkomen met de dwingendrechtelijke bepalingen. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.