Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak 1;
- wijst het verzoek om het toekennen van een dwangsom af;
- bevestigt de aangevallen uitspraak 2;
- veroordeelt appellant in de reiskosten van de Svb ten bedrage van € 28,20.
Centrale Raad van Beroep
Appellant diende in juni 2010 een aanvraag in voor AOW-pensioen bij de Sociale Verzekeringsbank (Svb). De Svb besloot op 1 februari 2011 dat het recht op AOW niet kon worden vastgesteld vanwege het niet reageren van appellant op informatieverzoeken. Appellant stelde een bezwaarschrift van 15 februari 2011 te hebben ingediend, maar de Svb ontving dit pas op 25 oktober 2012, na afloop van de bezwaartermijn. De rechtbank verklaarde het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het niet tijdig beslissen af.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij tijdig bezwaar had gemaakt en dat hij onterecht niet was gehoord. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde voor tijdige indiening van het bezwaarschrift en dat een hoorzitting niet noodzakelijk was bij kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar. Tevens werd vastgesteld dat eerdere aanvragen in 2007 en 2008 niet aannemelijk waren gemaakt en dat eerdere beroepschriften prematuur of niet-ontvankelijk waren ingediend.
Verder stelde de Svb dat stukken valselijk waren opgemaakt. De Raad bevestigde dit en veroordeelde appellant wegens onredelijk gebruik van procesrecht in de proceskosten van de Svb. De aangevallen uitspraken van de rechtbank werden bevestigd en het verzoek om een dwangsom werd afgewezen.
Uitkomst: Bezwaar en beroep tegen AOW-besluit worden niet-ontvankelijk verklaard; appellant veroordeeld in proceskosten wegens onredelijk gebruik procesrecht.