Appellant diende in juni 2010 een aanvraag in voor een AOW-pensioen bij de Sociale Verzekeringsbank (Svb). Na diverse communicatie en bezwaarprocedures verklaarde de Svb het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk omdat de gemachtigde geen schriftelijke machtiging met een natte handtekening had overgelegd.
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van de Svb om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren en tegen de afwijzing van een verzoek om een dwangsom wegens niet tijdig beslissen. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, stellende dat de gemachtigde niet adequaat was gemachtigd en dat het ontbreken van een machtiging niet met terugwerkende kracht kon worden hersteld.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat de Svb terecht om een machtiging met natte handtekening kon verzoeken vanwege twijfels over de echtheid van eerdere gescande handtekeningen. De Raad oordeelde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard omdat niet tijdig aan dit verzoek was voldaan. Tevens werd het verzoek om een dwangsom afgewezen omdat de gemachtigde geen belanghebbende was. Wel vernietigde de Raad het besluit dat het beroep tegen de afwijzing van de dwangsom ongegrond verklaarde en veroordeelde de Svb in de proceskosten.