ECLI:NL:CRVB:2016:176
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor woninginrichting wegens voorzienbare verhuizing
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en verhuisde op 1 november 2013 vanuit het ouderlijk huis naar een zelfstandige woning. Zij vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van woninginrichting, welke door het college werd afgewezen omdat de verhuizing voorzienbaar was en de kosten niet als bijzondere noodzakelijke kosten konden worden aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat kosten van woninginrichting doorgaans uit het reguliere bijstandsinkomen moeten worden voldaan, tenzij bijzondere omstandigheden een uitzondering rechtvaardigen. De werkvoorschriften van de gemeente Amsterdam sluiten bijstandsverlening voor verhuiskosten uit, tenzij er sprake is van plotselinge verhuizing door bijzondere medische of sociale redenen.
Appellante stelde dat zij gedwongen was te verhuizen omdat haar ouders moesten verhuizen en zij niet mee kon naar de nieuwe woning. De Raad oordeelde dat er geen bijzondere medische of sociale omstandigheden waren die een plotselinge verhuizing noodzakelijk maakten. Appellante had kunnen voorzien dat zij het ouderlijk huis zou verlaten en had kunnen reserveren voor de kosten.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand bevestigd.