Uitspraak
29 oktober 2014, 14/1817 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg bijstand aan met ingang van 24 juli 2013 vanwege het ontbreken van inkomen vanaf die datum. Het college verleende bijstand met ingang van 5 september 2013, de datum van melding. Een bezwaar tegen deze ingangsdatum werd ongegrond verklaard door het college en bevestigd door de rechtbank.
In hoger beroep stelde appellant dat bijstand met terugwerkende kracht vanaf 16 mei 2011, dan wel 24 juli 2013 of 22 augustus 2013 had moeten worden toegekend. De Raad overwoog dat op grond van artikel 44 WWB Pro bijstand in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt toegekend, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
De Raad constateerde dat appellant in de periode van mei 2011 tot juli 2013 uitkeringen van het UWV ontving en dus over voldoende middelen beschikte. Ook de gebrekkige begeleiding door Verslavingszorg Noord Nederland kon niet tot terugwerkende bijstand leiden. De rechtbank had het beroep terecht ongegrond verklaard, zij het deels op onjuiste gronden, en de Raad bevestigde de uitspraak met verbeterde motivering.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door M. Hillen in aanwezigheid van griffier J.L. Meijer op 19 januari 2016.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen bijstand met terugwerkende kracht wordt toegekend aan appellant.