ECLI:NL:CRVB:2016:1813
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens niet woonachtig op opgegeven adres
Appellant ontving sinds juli 2013 bijstand als alleenstaande. Het college trok de bijstand in april 2014 in omdat appellant een gezamenlijke huishouding voerde. Appellant vroeg in september en oktober 2014 opnieuw bijstand aan en gaf daarbij een adres op als woonadres. Het college weigerde de aanvraag omdat appellant niet aannemelijk maakte dat hij op dat adres woonde.
Handhavingspecialisten van de gemeente Amsterdam bezochten het opgegeven adres, maar appellant was niet thuis. Tijdens een bezoek op 21 oktober 2014 verklaarde appellant dat hij sinds het einde van de uitkering weinig thuis sliep en de afgelopen twee weken slechts enkele keren in de woning verbleef. Dit strookte met eerdere verklaringen.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Ook het tonen van post en de bewoonde indruk van de woning konden dit niet veranderen, mede omdat ook de zus van appellant op dat adres stond ingeschreven. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens het niet aannemelijk maken van het hoofdverblijf op het opgegeven adres.