ECLI:NL:CRVB:2016:1907
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vergoeding kosten bezwaar afgewezen wegens late indiening bewijs in hoger beroep
Appellant ontving bijstand van november 2009 tot april 2011 en diende in 2011 een aanvraag in die werd afgewezen wegens onvoldoende duidelijkheid over zijn gezamenlijke huishouding. In 2013 diende appellant opnieuw aanvragen in, waarvan één werd afgewezen en één werd toegekend als daklozenuitkering. Het college verklaarde de bezwaren tegen deze besluiten ongegrond. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat het college ten onrechte de kosten van het bezwaar niet had vergoed. Tijdens het hoger beroep kwam het college terug op het eerdere besluit en kende alsnog bijstand toe over een bepaalde periode. De Raad oordeelde echter dat appellant het bewijs dat zijn nicht sinds maart 2013 in een verpleegtehuis verbleef en dat er geen gezamenlijke huishouding meer was, pas in hoger beroep had ingebracht. Hierdoor was het college niet verplicht de kosten van bezwaar te vergoeden.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep gegrond voor zover het bezwaar tegen het besluit van 5 april 2013 werd afgewezen. De vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep werd afgewezen omdat de noodzaak tot hoger beroep te wijten was aan de late indiening van bewijs door appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 5 april 2013 wordt alsnog toegewezen, maar vergoeding van kosten wordt afgewezen.