ECLI:NL:CRVB:2016:202
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens niet-verblijf binnen gemeente Dordrecht
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en gaf een adres in Dordrecht op als hoofdverblijf. Het bestuur stelde een onderzoek in nadat bleek dat appellante veel buiten Dordrecht, in de gemeente waar haar zieke moeder woont, geld opnam. Uit een gesprek en huisbezoek bleek dat appellante hoofdzakelijk bij haar moeder verbleef en haar hoofdverblijf niet in Dordrecht had.
Het bestuur trok de bijstand vanaf 11 september 2013 in en vorderde terugbetaling van eerder ontvangen bijstand. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. Appellante voerde aan dat zij de inlichtingenplicht niet had geschonden omdat zij de benodigde informatie verstrekte en zorgde voor haar moeder zonder vast patroon.
De Raad oordeelde dat appellante haar hoofdverblijf niet in Dordrecht had in de relevante periode en dat het voor haar duidelijk had moeten zijn dat dit van invloed was op haar recht op bijstand. Zij had dit tijdig moeten melden, wat zij niet deed. De verklaringen en het huisbezoek vormden een voldoende feitelijke grondslag voor intrekking. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt bevestigd omdat appellante haar hoofdverblijf niet in Dordrecht had en de inlichtingenplicht schond.