ECLI:NL:CRVB:2016:2055
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening maatschappelijke opvang Wmo
Verzoeker, afkomstig uit Burundi, vroeg maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Wmo 2015, maar zijn aanvragen werden door het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen afgewezen. Het college verleende hem wel een bed-, bad- en broodvoorziening.
De rechtbank verklaarde de beroepen van verzoeker tegen deze besluiten ongegrond, omdat de aanvragen terecht waren afgewezen en verzoeker zich niet richtte tegen de toegekende bed-, bad- en broodvoorziening. Verzoeker stelde zich op het standpunt dat het college ten onrechte de (maatwerk)voorzieningen had geweigerd.
Verzoeker diende vervolgens een verzoek om voorlopige voorziening in om zijn opvang bij een zorginstelling te behouden gedurende de procedure. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat dit verzoek betrekking had op een variant van de bed-, bad- en broodvoorziening, welke volgens eerdere jurisprudentie niet als maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wordt aangemerkt.
Omdat het verzoek om voorlopige voorziening geen betrekking had op de bestreden besluiten in de hoofdzaak, ontbrak de vereiste connexiteit. Daarom werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard zonder zitting. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van connexiteit met de hoofdzaak.