ECLI:NL:CRVB:2016:2082
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet hoofdverblijf op uitkeringsadres
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Na meldingen en onderzoek door de gemeente Den Haag werd vastgesteld dat appellant in de periode van 27 augustus 2013 tot en met 6 oktober 2014 niet zijn hoofdverblijf had op dat adres. Dit bleek uit een laag water- en energieverbruik, verklaringen van appellant zelf en bevindingen tijdens een huisbezoek.
Het college van burgemeester en wethouders trok de bijstand in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde zich op het standpunt dat de lage verbruiksgegevens verklaard konden worden door persoonlijke omstandigheden en betwistte de betekenis van verklaringen van buurtgenoten.
De Raad oordeelde dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag vormen voor het besluit van het college. De lage verbruiksgegevens zijn significant lager dan gemiddeld en kunnen niet worden verklaard door de door appellant genoemde omstandigheden. Ook de verklaringen van buurtgenoten waren onvoldoende concreet. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het ontbreken van hoofdverblijf op het uitkeringsadres.