ECLI:NL:CRVB:2016:2089
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens vermogen meer dan 75% minimumloon
Appellant vroeg op 22 mei 2013 een Wajong-uitkering aan, die door het UWV op 18 juli 2013 werd afgewezen omdat hij meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen. Het bezwaar werd op 6 januari 2014 ongegrond verklaard en de rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de functionele mogelijkheden van appellant juist waren vastgesteld, waarbij rekening was gehouden met zijn diabetes en spanningsklachten.
In hoger beroep stelde appellant dat onduidelijk was wat de voorwaarde 'voldoening gevend werk' inhield en dat de geselecteerde functies hem niet zouden motiveren, wat psychosociale problemen zou veroorzaken. Ook voerde hij aan dat zijn darmklachten onvoldoende waren meegenomen in de beoordeling.
De Raad stelde vast dat de medische onderzoeken zorgvuldig en volledig waren en dat er geen aanwijzingen waren dat de beperkingen van appellant waren onderschat. De verzekeringsarts had overtuigend toegelicht dat appellant in staat is eenvoudige, regelmatige werkzaamheden te verrichten zonder tempoverlies, en dat een activerende werkomgeving hem voldoening geeft. De darmklachten waren meegenomen in de functionele mogelijkheden. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de Wajong-uitkering omdat appellant meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen.