ECLI:NL:CRVB:2016:2091
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant werkte tot september 2011 als beheerder van een wijkcentrum en ontving daarna een WW-uitkering. Na ziekmelding in januari 2012 wegens pijnklachten aan de rechterlichaamshelft, weigerde het UWV hem vanaf januari 2014 een WIA-uitkering toe te kennen wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de geselecteerde functies passend waren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn medische beperkingen en verzocht om inschakeling van een onafhankelijke deskundige.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij rekening was gehouden met informatie van diverse specialisten. Het rapport in het kader van de Ziektewet uit 2015 en de toegekende voorzieningen konden niet worden meegewogen voor de datum van het besluit. De Raad zag geen grond voor inschakeling van een onafhankelijke deskundige en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.