ECLI:NL:CRVB:2016:210
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens langer verblijf buitenland zonder zeer dringende redenen
Appellant ontving bijstand volgens de WWB en verbleef van 14 september tot 8 oktober 2013 in Turkije vanwege de verzorging van zijn zieke moeder, met behoud van uitkering. Later vroeg appellant toestemming om van 4 november tot 1 december 2013 in Turkije te verblijven in verband met zijn huwelijk en feest, maar kreeg slechts toestemming voor drie dagen. Desondanks verbleef hij langer in Turkije. Het college trok de bijstand per 7 november 2013 in omdat appellant in 2013 langer dan vier weken buiten Nederland verbleef.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er zeer dringende redenen waren, zowel vanwege de gezondheid van zijn moeder als zijn huwelijk, en beriep zich op het recht om te huwen volgens het EVRM. De Raad oordeelde dat het eerste verblijf binnen de vier weken viel en dus recht op bijstand bestond, maar dat het latere verblijf vanwege het huwelijk geen acute noodsituatie vormde die zeer dringende redenen rechtvaardigde.
Ook het beroep op het EVRM faalde omdat appellant in de gelegenheid was in Turkije te huwen en het intrekken van bijstand geen inbreuk maakte op het recht te huwen. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens langer verblijf in het buitenland zonder zeer dringende redenen wordt bevestigd.