ECLI:NL:CRVB:2016:212
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens vermogen in onroerend goed boven grens
Appellanten ontvingen sinds 1990 bijstand en werden onderzocht vanwege vermoedens van onroerend goed bezit in Turkije. Uit een onderzoek van het Internationaal Bureau Fraude-informatie bleek dat appellant eigenaar was van onroerende zaken met een waarde van circa €112.446,19, boven de vrij te laten vermogensgrens.
Het college beëindigde de bijstand per 1 juni 2013 vanwege dit vermogen. Appellanten voerden aan dat zij niet de feitelijke eigenaar waren en niet beschikten over het onroerend goed, maar konden dit niet aannemelijk maken. De Raad oordeelde dat registratie in het eigendomsregister de vooronderstelling van beschikking rechtvaardigt.
De taxatie werd betwist, maar ook bij een lagere waardering bleef het vermogen boven de grens. De Raad bevestigde daarom het besluit tot beëindiging van de bijstand en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 19 januari 2016.
Uitkomst: De bijstandsuitkering is terecht beëindigd vanwege vermogen in onroerend goed boven de vermogensgrens.