ECLI:NL:CRVB:2016:2158
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens niet-overleggen noodzakelijke gegevens
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en was sinds november 2010 enkele uren per week werkzaam in een kapsalon. Het dagelijks bestuur verzocht appellant meerdere malen om verifieerbare gegevens over zijn gewerkte uren, verblijf in het buitenland en bankrekeningen, waaronder die van zijn broer die in het buitenland woont.
Appellant heeft niet alle gevraagde gegevens binnen de gestelde termijn overgelegd en heeft ook geen uitstel gevraagd. De Raad oordeelt dat appellant redelijkerwijs over de gevraagde gegevens kon beschikken en dat het niet verstrekken van deze gegevens hem kan worden verweten.
Op grond van artikel 54 lid 1 en Pro lid 4 van de WWB was het dagelijks bestuur bevoegd de bijstand op te schorten en vervolgens in te trekken. De Raad bevestigt daarom het besluit tot intrekking van de bijstand met ingang van 20 september 2013 en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens het niet tijdig overleggen van noodzakelijke gegevens wordt bevestigd.